Interview NOUVEAU

margrietschavemaker • 10 september 2024

Voor Nouveau werd ik geïnterviewd door de geweldige Renate van der Zee en dank Stef Nagel voor prachtige foto’s 


Margriet Schavemaker: 'Ik wil vrouwelijke kunstenaars een podium bieden'

Als hoofd collectie bij het Stedelijk Museum in Amsterdam deed ze er al alles aan om vrouwelijke kunstenaars zichtbaarder te maken. Als directeur van het Kunstmuseum in Den Haag zet Margriet Schavemaker (53) haar missie met onverminderde kracht voort. ‘Ik heb al een lijstje in mijn hoofd.’


https://www.nouveau.nl/personality/margriet-schavemaker-ik-wil-vrouwelijke-kunstenaars-een-podium-bieden



door margrietschavemaker 2 januari 2026
Celebration of the 393rd Dies Natalis On Thursday, 16 January 2025, I was invited to provide the Dies Natalis Lecture to celebrate the 393rd anniversary of the University of Amsterdam. Moreover I could invite the amazing Sites of Memory to do a performance after my presentation. At the same event honorary doctorates were presented to Liesbeth Geris (director of the Virtual Physiological Human Institute), Bianca Stigter (historian, journalist, and author), and Steve McQueen (filmmaker, screenwriter, and visual artist). The title of my lecture was ‘ (‘About the Birthday City, the University, and the Power of the Ode’) For a recording of the entire event see: https://www.uva.nl/content/evenementen/2025/01/uva-viert-393ste-verjaardag.html (My talk starts around 36 min) For the written text see below (Dutch/English) ---------------------------------------------------------------------------------- NL Dies Natalis 2025 16 januari 2025 Over de jarige stad, de universiteit en de kracht van de ode Door: Margriet Schavemaker (hoogleraar Media en Kunst in de Museale Praktijk) 1.De jarige stad en de kracht van de ode “Lieve Grietje Schavemaker, Mijn ode aan een Amsterdamse vrouw doe ik heel graag aan jou. Je werd in 1902 geboren als Margaretha Cornelia Veldt, in Bakkum. Maar het werd dus Grietje Schavemaker na je huwelijk met Gerrit Schavemaker in 1925.(...)Ik schrijf je (..)omdat het Amsterdam Museum de geschiedenis van de stad wil verrijken met het perspectief van de vrouwen die erin hebben gewoond en gewerkt. Samen met heel veel mensen schrijven we aan vrouwen uit het verleden van de stad. Mensen die de stad hebben gemaakt en gevormd tot wat ze nu is. Zo hopen we tegenwicht te bieden aan de heersende geschiedschrijving van de stad die nog steeds vooral over mannen gaat.” Dit is de eerste alinea van de brief die ik schreef aan mijn Amsterdamse oma die ik nooit gekend heb. Na het overlijden van mijn opa in 1943 runde ze decennialang de door hen samen gestarte melkzaak in de Van der Hoopstraat en voedde ze haar 8 kinderen grotendeels alleen op. De brief is onderdeel van het project De vrouwen van Amsterdam: een ode dat het Amsterdam Museum organiseert in het kader van de 750 e verjaardag van de stad: de basis is een online platform waarop iedereen brieven kan publiceren of andere odes kan uitbrengen aan vrouwen uit het verleden en heden van Amsterdam. En hoewel er nog steeds odes kunnen worden ingestuurd (doe allemaal mee!) ging op 12 december ook een tentoonstelling open waarin een aantal van de reeds ingezonden odes wordt uitgelicht: deels in historische zalen waarin odes thematisch worden geclusterd en deels in zalen waarin kunstenaars en vormgevers een opdracht hebben gekregen om een monumentale installatie te maken rondom een of meerdere vrouwen. Zo eerde Charlott Markus Thea Bakker, een van de eerste transvrouwen van Amsterdam, door haar bijzondere huiskamer tot leven te wekken. En Çigdem Yüksel brengt een ode aan de vrouwen van de eerste vereniging van vrouwen uit Turkije. Tijdens de drukbezochte opening was er een podium waar odes werden voordragen door acteurs of door de schrijvers zelf. En burgemeester Femke Halsema opende met een vlammend betoog over vrouwenrechten die onder druk staan en de lovende woorden dat dit project in haar ogen een van de mooiste cadeaus aan de jarige stad is. Het ontroerde me want er zijn door de stichting Amsterdam 750 een eindeloos grote hoeveelheid aan geweldige burgerinitiatieven gesteund, die net als De vrouwen van Amsterdam de jarige stad eren middels participatie en co-creatie. Halsema zelf werd trouwens zelf ook van odes voorzien. In de tentoonstelling met dit werk van kunstenaar Aukje Dekker. Ze fotografeerde een aantal portretten van Halsema’s mannelijke voorgangers en printte deze op doek waarna ze deze minutieus afdekte met honderden kleine uitgeprinte tekstjes met daarop een korte tekst: ‘I have to work harder’. Er is trouwens ook een flipbook versie waarin je de portretten langzaam ziet verdwijnen. Niet alleen Halsema, alle vrouwen moeten harder werken. En zijn minder zichtbaar. Het ode-project ontstond in mijn hoofd, of misschien niet daar..het was meer een ongemakkelijk en ook wat bozig gevoel… toen ik me begin 2019 voorbereidde op mijn nieuwe baan als artistiek directeur van het Amsterdam Museum. Ik begon de standaard literatuur tot me te nemen. Mak, Shorto. Mooi geschreven, persoonlijke en erudiete geschiedenissen van de stad. Maar waar waren de verhalen van de vrouwen die toch zeker de helft van de bevolking vormde de afgelopen 750 jaar? Ze verschenen hier sporadisch en bovenal als slachtoffers van geweld. Ook in museale collecties is de balans zoek. Van de circa 110.000 objecten die het Amsterdam Museum voor de stad beheert is maar 9 procent door vrouwen gemaakt. Voor de 750e verjaardag van de stad wilde ik daar verhalen van historische Amsterdamse vrouwen aan toevoegen. Niet door over deze vrouwen te schrijven maar aan ze schrijven. Het genre van de brief is immers al eeuwenlang verknoopt met het thema vrouw-zijn: van De historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782), de brievenroman van Betje Wolff en Aagje Deken, tot de dagboekbrieven van Anne Frank. Over de relevantie van de brief leerde Yra van Dijk, hoogleraar Nederlands van de Universiteit Leiden, me nog iets anders. Ze stelt dat “een brief schrijven, het kiezen voor een medium dat al haast geschiedenis geworden is, is een geste van toenadering naar het vreemde dat het verleden per definitie is. Daarnaast is het een vorm van kritisch burgerschap waar we in onze samenleving zo naar op zoek zijn; je actief verplaatsen in de ander om deze te begrijpen of in ieder geval de verschillen in kaart te brengen. Dat gaat niet vanzelf, daar moet je moeite voor doen”. Het naderen van het andere, maar daar niet helemaal mee samenvallen, gaat ook samen met een mix van feit en fictie. ‘Critical Fabulation’ wordt dat in het Afrofuturisme genoemd. En dat wordt niet alleen zichtbaar in het schrijven van de odes maar ook in de tentoonstelling. Zo is in een zaal die is gewijd aan De (on)zichtbare stad een ode is opgenomen aan Francisca, een vrije Zwarte vrouw die met andere vrije Zwarte mensen in een kelderwoning leefde in 1632 in de Sint Antoniebreestraat. Er bestaat geen portret van deze vrouw maar conservator Maren de Wit ging op zoek in de collectie van het Amsterdam Museum en vond dit beeld van een zwarte vrouw waarvan we niet weten wie ze is, noch wanneer het gemaakt is of door wie, maar plaatste het bij de ode aan Francisca. Het geeft haar een gezicht en laat tevens zien dat het verhaal van dit verleden niet af is en er altijd gaten blijven bestaan. De vrouwen van Amsterdam: een ode is ook niet af. Het komend jaar wordt doorgewerkt aan publicaties over het project: een publieksboek met de mooiste brieven en een academische online publicatie met kritische analyses vanuit verschillende academische disciplines. Vanuit mijn leerstoel media en kunst in de museale praktijk bij de afdeling Media Studies een cruciaal onderzoek. De vrouwen van Amsterdam: een ode toont namelijk als geen ander hoe zowel media technologie als kunst betekenisvolle bijdragen kunnen leveren aan nieuwe manieren om onze eeuwenoude musea relevant te maken en toegankelijker voor een diverser publiek. We geven de sleutel uit handen, veranderen de ruimtes. Dat vereist andere manieren van werken: we worden steeds meer een open productiehuis in samenwerking met netwerken en kunstenaars (die ik eigenlijk liever makers noem) en moeten ons permanent verhouden tot de veranderende samenleving. Samen zijn we die samenleving. 2. De blik op de universiteit Wat kunnen we met deze inzichten als we de blik van de jarige stad wenden naar de jarige universiteit? Een universiteit die het, net als de stad, zwaar heeft. Valt er überhaupt iets te vieren? Draconische bezuinigingsmaatregelen werden deels afgewend maar de wonden van het herhaaldelijk geweld tijdens de pro-palestina protesten zijn nog lang niet geheeld. De UvA heeft zich lang geïdentificeerd met protesten, bezettingen, activisme en tegencultuur. Toen ik hier zelf kunstgeschiedenis en filosofie ging studeren eind jaren tachtig werd tijdens open dagen veelvuldig naar Maagdenhuisbezettingen uit de jaren zestig verwezen als toonbeeld van de universiteit als vrije vooruitstrevende plek en openheid voor institutionele kritiek. Een vergelijkbare omgang met het verleden zien we hier in deze Lutherse kerk in de senaatszaal: een portret van oud-Rector Magnificus Dymph van de Boom geschilderd tegen de achtergrond van de Maagdenhuisbezettingen van 2015. Het is de vraag of dit incorporeren weer gaat gebeuren bij het toekomstige portret van de huidige rector in relatie tot de demonstraties van het afgelopen jaar? Ik hoop het niet. Echter, de UvA blinkt vooralsnog niet uit in precisie en zorgvuldigheid als het gaat om de omgang met het verleden en de representatie daarvan in en van de eigen ruimtes. Maar gelukkig is er wel beweging. Zo was ik vereerd dat Marieke de Goede, de decaan Geesteswetenschappen, Ghanima Kowsoleea en mij vroeg om mee te denken over een oplossing voor een langslepende kwestie: de zogenaamde VOC zaal in het Oost-Indisch Huis. Het gebouw dateert uit het begin van de 17 e eeuw en diende als hoofdkantoor van het Amsterdamse bestuur van de VOC. In die tijd een van de grootste internationale koloniale handelsmaatschappijen in de wereld. Het gebouw was sinds de jaren 1960 in gebruik genomen door de UvA en eind jaren negentig had het toenmalige college van bestuur het idee opgevat om een reconstructie te maken van de zogenaamde senaatskamer waar de leiders van de Amsterdamse VOC vergaderden. Volgens de toentertijd betrokken conservator van het Amsterdam Museum ‘een stukje operette’ dat de ruimte die gebruikt werd voor buluitreikingen en vergaderingen wat grandeur moest bieden. De reden dat Kowsoleaa en ik waren benaderd voor de VOC zaal was dat we de jaren daarvoor met een groot team gewerkt hadden aan een tentoonstelling rondom de Gouden Koets in het Amsterdam Museum. Daarin hadden we dit beladen erfgoed samen met een klankbordgroep van 23 experts uit de samenleving (van de voorzitter van de oranjevereniging tot leden van het republikeins genootschap, wetenschappers en activisten) en 15 kunstenaars van een tentoonstelling en een publicatie voorzien, waarna de koning uiteindelijk besloot de koets niet meer te gebruiken. De crux van het werken met makers is vaak heel simpel en direct: zoals het werk van Iswanto Hartono waarin het problematische paneel van de koets genaamd Hulde der Koloniën in wit draadstaal is uitgevoerd. De betekenis zit in de schaduw die het reliëf op de muur werpt. Hartono maakt letterlijk de onderbelichte schaduwzijde van ons koloniale verleden zichtbaar. Vergeleken met de Gouden Koets was de VOC zaal natuurlijk klein bier. Immers: alles was nep, de originelen hangen in het Rijksmuseum. We besloten toch dat we zorgvuldig te werk moesten gaan. Weghalen kan, zoals we allemaal weten een maatschappelijk debat tot gevolg hebben. Denk aan het maatschappelijk gesprek dat ontstond toen een aantal vrouwelijke medewerkers van de Universiteit Leiden in 2022 eigenhandig een portret in een vergaderkamer van de muur hadden gehaald met rokende mannelijke universiteitsbestuurders. Ten aanzien van het koloniale verleden gaat het er vaak ook stevig aan toe. Zo merkten we bij het Amsterdam Museum in september 2019 toen we besloten de term Gouden Eeuw niet meer te gebruiken als synoniem voor de 17 e eeuw. Binnen twee uur reageerde toenmalig premier Mark Rutte dat dit belachelijk was en er ontstond een verhit debat. Betekenisvol en nodig maar Kowsoleea en ik besloten dat het in dit geval beter was om een jaar de tijd te nemen. Onder de titel ‘Dekoloniale dialogen @ Humanities’ nodigden we iedereen van zowel binnen als buiten de UvA uit om ideeën in te dienen voor een lezing of event in de VOC zaal en samen met programmeurs en een redactieraad ontstond er een gevarieerd en meerstemmig programma dat heel 2023 duurde. Zo werd de zaal van context voorzien en iedere keer werd de vraag gesteld: wat moet er met de zaal gebeuren? Het was een inspirerend jaar met als een van de hoogtepunten de dialoogtafels op de binnenplaats voor de zaal in het kader van Keti Koti. Indrukwekkend en emotioneel was ook de bijdrage van het collectief Sites of Memory. Het theatergezelschap, dat ook zo na deze diesrede zal optreden, maakt al jaren voorstellingen over de doorwerking van het koloniale verleden. Op straat, op publieke plekken, in kerken en gebouwen, geven stem aan zij die niet meer kunnen spreken. Niet gehoord zijn. If these walls could speak was de titel van de video die zij van hun voorstelling maakten en het werd ook de titel van de slottentoonstelling in de VOC zaal waarin vijf makers vanuit allerlei perspectieven de zaal en het gebouw verrijkten: van het kleed van de vergadertafel dat van borduursel was voorzien door communities uit Zuid-Afrika en de Molukken tot een video installatie over suikerwinning in Indonesië. Fotograaf Farren van Wyk bracht het leven van haar Zuid-Afrikaanse familie op het platteland in Gelderland in beeld waarmee de doorwerking van het koloniale verleden in het heden en de toekomst heel direct zichtbaar werd. Vanaf oktober 2023 werd Dekoloniale Dialogen ingewikkelder. De betrokken programmeurs wilden programmeren over de ontstane situatie in het Midden-Oosten. Onze facultaire opdrachtgevers worstelden en grepen in. Dat was jammer en onnodig. Het project liet als geen ander zien dat openheid voor verschillende opvattingen van zowel binnen als buiten de universiteit juist een fundamentele bijdrage levert aan meer kennis en verbinding. Hoe nu verder? In het advies rapport werd duidelijk dat ‘het stukje operette’ niet weggehaald moet worden want dat zou suggereren dat de UvA klaar is met dit onderwerp. Het devies is: gebruik de plek de komende jaren voor nieuwe kunstopdrachten en geef er vooral veel onderwijs. En dan is er natuurlijk ook nog het langverwachte onderzoek naar de eigen koloniale geschiedenissen van de Universiteit van Amsterdam dat hopelijk in de komende periode zijn beslag zal krijgen. De VOC zaal lijkt de ideale plek om de tussentijdse resultaten te presenteren. Deze conclusie interpreteren als dat we nooit iets weg moeten halen zou verkeerd zijn. Zo ben ik blij dat de portrettencollectie van louter mannen in de senaatszaal van de Agnietenkapel onlangs is verwijderd op initiatief van pedel Annelies Dijkstra. Studenten publieksgeschiedenis zijn nu bezig met een plan voor herinrichting. Beter nog zou het zijn om een commissie in te stellen die met mandaat van het CvB alle ruimtes van de UvA onder de loep kan nemen en opdrachten kan verstrekken tot verbetering. Het is meer dan noodzakelijk zo zien we ook hier in de senaatszaal van dit gebouw waarin naast het eerder genoemde portret van Dymph van de Boom louter mannen hangen. Aanvullen wordt nog een hele uitdaging: in Leiden organiseerde een aantal vrouwelijke hoogleraren die opereren onder de noemer Athena’s Angels een actie waarbij alle portretten van mannelijke universiteitsbestuurders werden bedekt met vrouwelijke waarna de Universiteit besloot een flink aantal portretten van vrouwen toe te voegen. Hier aan de UvA dacht men trouwens ook een inhaalslag te maken en werd een opdracht gegeven om een aantal voor mij zeer betekenisvolle vrouwelijke hoogleraren en group te schilderen op een doek. Lekker efficiënt. Voor de scherpe kijker inderdaad geïnspireerd op het eerder genoemde portret van Rein Dool dat van de muur werd gehaald in Leiden. Voor wie het schilderij in het echt wil zien: het hangt in de ruimte voor de VOC zaal. En ja, dat kan beter. Dus laat die commissie maar komen. Na een jaar lang onderzoek is het schilderij van Rein Dool trouwens weer teruggehangen in Leiden. Nu op een publieke plek met uitleg ernaast. Door de rel werd namelijk duidelijk dat het een ironisch portret was van het eerste democratisch gekozen universiteitsbestuur en dat een van de geportretteerden de vader van Job en Floris Cohen was die eerder tijdens de Tweede Wereldoorlog was verwijderd van de universiteit. Een pijnlijke herhaling van verwijdering dus. Had het daarom niet verwijderd mogen worden? Naar aanleiding van kamervragen formuleerde toenmalig staatssecretis Gunay Uslu het mooi: “Er is een discussie ontstaan en eigenlijk is dat heel goed, want we wisten helemaal niet wat er afgebeeld was. Wij weten nu wie er op dat schilderij staan, waarom het weggehaald is en waarom het niet weggehaald zou moeten worden. Het is een prachtig voorbeeld hoe kunst werkt, hoe het ons doet nadenken en reflecteren.” 3.Nieuwe kathedralen? Kortom, we moeten niet bang zijn om dingen toe te voegen, weg te halen, af te dekken, te bevragen en van nieuwe context te voorzien. Hoe pijnlijk soms ook. Het brengt ons verder als samenleving. En dat brengt mij aan het einde van mijn Dies. Zie mijn verhaal als een ode aan de jarige stad. Maar vooral als een ode aan twee belangrijke instituten in die stad: de universiteit en het museum. En aan de opgaves waar we allemaal voor staan: het verbeteren van onze pluriforme democratie. Deze staat onder druk en onze instellingen kunnen daar een betekenisvolle rol in spelen. Rebecca Sollnit, toonaangevend kunsthistoricus en auteur deed naar aanleiding van de omwentelingen van de afgelopen jaren (zoals BLM en #MeToo) een oproep: “we need new cathedrals for the new constituencies”. Juist nu onze social media platforms en de politieke arena’s zo lelijk worden vormgegeven en er met man en macht wordt geprobeerd om ‘the new constituencies’ terug te draaien, houd ik van het idee dat we nieuwe gesamtkunstwerken moeten bouwen met elkaar. Aan de andere kant: we hebben al zoveel kathedralen. Kijk hier om je heen.. Ik hoop dat uit mijn verhaal vooral duidelijk is geworden dat we nieuwe manieren nodig hebben om samen de bestaande kathedralen en de verhalen waarop ze gebaseerd zijn, en die ze verbeelden, opnieuw te lezen, aan te vullen, te bevragen. De vorm die je daarvoor kiest is variabel en kan zelfs wat outdated zijn, zoals het schrijven van de digitale odes aan Amsterdamse vrouwen waar ik mee begon. Het zijn zware tijden. Volgens onze voormalige premier die voorzitter van de NAVO is geworden moeten we ons klaarmaken voor misschien wel een Derde Wereldoorlog. Ik moet de laatste tijd veel denken aan Walter Benjamin die aan begin van de Tweede Wereldoorlog in 1940 naar een tekening van Paul Klee keek en daarin ‘de engel van de geschiedenis’ zag, en treurig concludeerde dat ze achteruit kijkend met haar rug de toekomst in geblazen wordt. Kort daarna beroofde hij zich tijdens zijn vlucht voor de nazi’s van het leven. In mijn nieuwe rol als algemeen directeur van het Kunstmuseum in de Den Haag krijg ik in juni van dit jaar Mark Rutte en de NAVO top op bezoek in het Worldforum in de achtertuin van het museum. Ik hoop al die regeringsleiders, hun entourage en de vele duizenden journalisten die erop afkomen, te inspireren met de kunst van nu. Het is misschien naïef en idealistisch maar we hebben een grote tentoonstelling in voorbereiding met 25 makers die een betere samenleving visualiseren onder de titel New New Babylon: Visions for Another Tomorrow. (opening 29 maart, hierbij zijn jullie allemaal uitgenodigd) In de vorig jaar verschenen bundel getiteld ‘The Future of the Dutch Colonial Past’ vergeleek ik samen met Imara Limon en Inez van der Schreer de makers van nu met ‘shape shifters’. Ze staan niet met hun rug naar de toekomst zoals de engel van Klee, maar zijn fluïde wezens die van vorm kunnen veranderen en moeiteloos heen en weer bewegen tussen verschillende tijden. Juist hun herlezingen van het verleden bieden een betere toekomst die meer dan voorheen gebaseerd is op diversiteit en gelijkwaardigheid. Toch mogen we niet alleen op deze makers leunen voor de fundamentele veranderingen die nodig zijn. We zullen de instellingen waarin we opereren krachtig moeten openen voor nieuwe perspectieven van zowel binnen of buiten. We moeten harder werken. Moedig zijn en leiderschap tonen. Een open mind hebben en durf om een plek te worden die mindful is over zijn eigen geschiedenissen, machtsstructuren, uitsluitingsmechanismes, financiële geldstromen. En bij de inrichting van onze plekken context bieden en ruimte scheppen voor ongehoorde perspectieven. Vanuit mijn nieuwe rol in het Kunstmuseum kan ik zeggen dat wij, net als de UvA, nog flink wat stappen kunnen zetten in deze. Maar ik ben blij en dankbaar dat de UvA vandaag zo’n moedige plek is: met prachtige odes aan onverschrokken makers, afgetrapt door de onvolprezen Sites of Memory die de geschiedenis van deze plek zal laten horen en voelen. Als de muren konden praten… Laten we samen met hen zowel achteruit als vooruitkijken, en voelen. Opdat we samen veranderen, hier op deze plek, onze handen en harten ineenslaan. En zo de jarige stad eren, transformeren, en mooier maken. Dank jullie wel Ps en schrijf alsjeblieft allemaal een ode! -------------------------------------------------------------- ENG Dies Natalis 2025 January 16, 2025 On the Birthday City, the University, and the Power of the Ode By: Margriet Schavemaker (Professor of Media and Art in Museum Practice) 1. The Birthday City and the Power of the Ode “Dear Grietje Schavemaker, My ode to an Amsterdam woman is gladly dedicated to you. You were born in 1902 as Margaretha Cornelia Veldt, in Bakkum. But you became Grietje Schavemaker after your marriage to Gerrit Schavemaker in 1925. (…) I am writing to you (…) because the Amsterdam Museum wants to enrich the city’s history with the perspective of the women who have lived and worked in it. Together with many people, we are writing to women from the city’s past—women who shaped and built the city into what it is today. In doing so, we hope to counterbalance the dominant historical narrative of the city, which still mostly focuses on men.” This is the opening paragraph of the letter I wrote to my Amsterdam grandmother, whom I never knew. After my grandfather’s death in 1943, she ran the dairy shop they had started together on Van der Hoopstraat for decades and raised her eight children largely on her own. The letter is part of the project The Women of Amsterdam: An Ode, organized by the Amsterdam Museum as part of the city’s 750th anniversary. The foundation is an online platform where anyone can publish letters or other odes to women from Amsterdam’s past and present. And although odes can still be submitted (please join in!), on December 12 an exhibition also opened highlighting some of the odes already received: partly in historical galleries where odes are grouped thematically, and partly in spaces where artists and designers were commissioned to create monumental installations around one or more women. For example, Charlott Markus honored Thea Bakker, one of Amsterdam’s first trans women, by bringing her extraordinary living room to life. And Çigdem Yüksel paid tribute to the women of the first association of women from Turkey. During the well-attended opening, there was a stage where odes were performed by actors or by the writers themselves. Mayor Femke Halsema opened with a passionate speech about women’s rights under pressure and praised the project as one of the most beautiful gifts to the birthday city. I was deeply moved because the Amsterdam 750 Foundation has supported an endless number of wonderful citizen initiatives that, like The Women of Amsterdam, honor the city through participation and co-creation. Halsema herself was also honored with odes. In the exhibition, artist Aukje Dekker presented work featuring portraits of Halsema’s male predecessors printed on fabric and meticulously covered with hundreds of small printed slips of paper bearing the phrase: “I have to work harder.” There is even a flipbook version where the portraits gradually disappear. Not only Halsema—all women have to work harder. And remain less visible. The ode project began in my mind—or perhaps not exactly there… It was more an uncomfortable and somewhat angry feeling when I started preparing for my new role as Artistic Director of the Amsterdam Museum in early 2019. I began reading the standard literature: Mak, Shorto. Beautifully written, personal, and erudite histories of the city. But where were the stories of the women who surely made up half the population over the past 750 years? They appeared only sporadically—and mostly as victims of violence. The imbalance is also evident in museum collections. Of the approximately 110,000 objects managed by the Amsterdam Museum for the city, only 9 percent were created by women. For the city’s 750th anniversary, I wanted to add stories of historical Amsterdam women—not by writing about them, but by writing to them. After all, the letter genre has long been intertwined with the theme of womanhood: from The History of Miss Sara Burgerhart (1782), the epistolary novel by Betje Wolff and Aagje Deken, to Anne Frank’s diary letters. On the relevance of the letter, Yra van Dijk, Professor of Dutch Literature at Leiden University, taught me something else. She argues that: “Writing a letter—choosing a medium that has almost become history—is a gesture of reaching out to the strangeness that the past inherently is. Moreover, it is a form of critical citizenship that our society so desperately seeks: actively placing yourself in the position of another to understand them, or at least to map the differences. That does not happen automatically; it requires effort.” Approaching the other without fully merging with it also involves a mix of fact and fiction—what Afrofuturism calls Critical Fabulation. This is evident not only in the writing of odes but also in the exhibition. For example, in a gallery dedicated to The (In)visible City, an ode is included to Francisca, a free Black woman who lived with other free Black people in a basement dwelling in 1632 on Sint Antoniebreestraat. There is no portrait of this woman, but curator Maren de Wit searched the Amsterdam Museum collection and found an image of a Black woman whose identity, date, and maker are unknown, and placed it alongside the ode to Francisca. It gives her a face and shows that the story of this past is unfinished and will always contain gaps. The Women of Amsterdam: An Ode is also unfinished. In the coming year, work will continue on publications about the project: a public book featuring the most beautiful letters and an academic online publication with critical analyses from various disciplines. From my chair in Media and Art in Museum Practice within the Media Studies department, this is crucial research. The project demonstrates how media technology and art can meaningfully contribute to new ways of making our centuries-old museums relevant and accessible to a more diverse audience. We are handing over the keys, transforming spaces. This requires new ways of working: becoming an open production house in collaboration with networks and artists (whom I prefer to call makers) and constantly engaging with a changing society. Together, we are that society. 2. Turning the Gaze to the University What can we do with these insights when we turn the gaze from the birthday city to the birthday university? A university that, like the city, is struggling. Is there even anything to celebrate? Draconian budget cuts were partly averted, but the wounds from repeated violence during the pro-Palestine protests are far from healed. The University of Amsterdam has long identified with protests, occupations, activism, and counterculture. When I studied art history and philosophy here in the late 1980s, open days frequently referenced the Maagdenhuis occupations of the 1960s as a symbol of the university as a free, progressive space open to institutional critique. We see a similar approach to the past here in this Lutheran church in the Senate Hall: a portrait of former Rector Magnificus Dymph van den Boom painted against the backdrop of the Maagdenhuis occupation of 2015. The question is whether this incorporation will happen again with the future portrait of the current rector in relation to last year’s demonstrations? I hope not. So far, the UvA does not excel in precision and care when it comes to dealing with the past and representing it in its own spaces. But fortunately, there is movement. I was honored when Marieke de Goede, Dean of Humanities, asked Ghanima Kowsoleea and me to help find a solution to a long-standing issue: the so-called VOC Hall in the Oost-Indisch Huis. The building dates back to the early 17th century and served as the headquarters of the Amsterdam board of the Dutch East India Company (VOC), then one of the largest international colonial trading companies in the world. The building has been used by the UvA since the 1960s, and in the late 1990s the then Executive Board decided to reconstruct the so-called Senate Chamber where the leaders of the Amsterdam VOC met. According to the curator involved at the time, it was “a piece of operetta” meant to lend grandeur to the space used for graduations and meetings. The reason Kowsoleea and I were approached about the VOC Hall was that we had previously worked with a large team on an exhibition about the Golden Coach at the Amsterdam Museum. Together with a sounding board of 23 societal experts (from the chair of the Orange Association to members of the Republican Society, scholars, and activists) and 15 artists, we created an exhibition and publication that ultimately led the King to decide to stop using the coach. The essence of working with makers is often simple and direct: like Iswanto Hartono’s work, in which the problematic panel of the coach titled Tribute to the Colonies was recreated in white wire. The meaning lies in the shadow the relief casts on the wall. Hartono literally makes the underexposed shadow side of our colonial past visible. Compared to the Golden Coach, the VOC Hall was small beer. After all, everything was fake—the originals hang in the Rijksmuseum. Still, we decided to proceed carefully. Removing things can, as we all know, spark societal debate. Think of the controversy when female staff at Leiden University in 2022 removed a portrait of smoking male administrators from a meeting room wall. Colonial heritage often provokes strong reactions. We experienced this at the Amsterdam Museum in September 2019 when we decided to stop using the term “Golden Age” as a synonym for the 17th century. Within two hours, then-Prime Minister Mark Rutte called it ridiculous, and a heated debate ensued. Meaningful and necessary—but Kowsoleea and I decided that in this case, it was better to take a year. Under the title Decolonial Dialogues @ Humanities, we invited everyone inside and outside the UvA to submit ideas for lectures or events in the VOC Hall. Together with programmers and an editorial board, we created a diverse, multi-voiced program that lasted all of 2023. Each time, the question was asked: what should happen to the hall? It was an inspiring year, with highlights like dialogue tables in the courtyard during Keti Koti. Equally moving was the contribution of the collective Sites of Memory. This theater group, which will perform after this Dies speech, has been creating performances for years about the legacy of colonialism—on streets, in public spaces, churches, and buildings—giving voice to those who can no longer speak. If These Walls Could Speak was the title of the video they made of their performance, and it became the title of the final exhibition in the VOC Hall, where five makers enriched the space and building from various perspectives: from a tablecloth embroidered by communities in South Africa and the Moluccas to a video installation about sugar production in Indonesia. Photographer Farren van Wyk portrayed her South African family’s life on rural land in Gelderland, making the colonial past’s impact on the present and future strikingly visible. From October 2023 onward, Decolonial Dialogues became more complicated. Programmers wanted to address the situation in the Middle East. Our faculty clients struggled and intervened. That was unfortunate and unnecessary. The project showed better than anything that openness to diverse perspectives—both inside and outside the university—fundamentally contributes to knowledge and connection. What now? The advisory report concluded that “the piece of operetta” should not be removed, as that would suggest the UvA is done with the subject. The recommendation: use the space for new art commissions and lots of teaching. And of course, there is the long-awaited research into the University of Amsterdam’s own colonial histories, which will hopefully take shape soon. The VOC Hall seems the ideal place to present interim results. Interpreting this conclusion as meaning we should never remove anything would be wrong. For example, I am glad that the all-male portrait collection in the Senate Hall of the Agnietenkapel was recently removed at the initiative of the university’s beadle. Public history students are now working on a redesign plan. Better still would be to establish a committee with a mandate from the Executive Board to review all UvA spaces and commission improvements. This is urgently needed, as we see here in this Senate Hall, where—besides the earlier-mentioned portrait of Dymph van den Boom—only men hang. Adding portraits will be a challenge: in Leiden, female professors operating under the name Athena’s Angels organized an action covering all male administrators’ portraits with female ones, after which the university decided to add many portraits of women. At the UvA, an attempt was made to catch up by commissioning a painting of several highly significant female professors and their group. Efficient, yes—and for the sharp-eyed, clearly inspired by the earlier-mentioned portrait by Rein Dool that was removed in Leiden. For those who want to see the painting in person: it hangs in the space outside the VOC Hall. And yes, it could be better. So let that committee come. After a year of research, the Rein Dool painting was rehung in Leiden—now in a public space with explanatory text. The controversy revealed that it was an ironic portrait of the first democratically elected university board and that one of the portrayed was the father of Job and Floris Cohen, who had previously been removed from the university during World War II. A painful repetition of removal. Should it therefore not have been removed? In response to parliamentary questions, then-State Secretary Gunay Uslu put it beautifully: “A discussion arose, and that is actually very good, because we didn’t know what was depicted. We now know who is in the painting, why it was removed, and why it should not have been removed. It is a wonderful example of how art works—how it makes us think and reflect.” 3. Conclusion: Toward New Cathedrals? In short, we should not fear adding, removing, covering, questioning, and recontextualizing things. Painful as it may be, it moves us forward as a society. And that brings me to the end of my Dies. See my story as an ode to the birthday city—but above all as an ode to two important institutions in that city: the university and the museum. And to the challenges we all face: improving our pluralistic democracy. It is under pressure, and our institutions can play a meaningful role. Rebecca Solnit, leading art historian and author, wrote in response to recent upheavals (such as BLM and #MeToo): “We need new cathedrals for the new constituencies.” Especially now that our social media platforms and political arenas are so poorly designed and there are massive efforts to roll back “the new constituencies,” I love the idea that we must build new Gesamtkunstwerke together. On the other hand: we already have so many cathedrals. Just look around here… I hope my story has made clear that we need new ways to collectively reread, supplement, and question the existing cathedrals and the stories they are based on and represent. The form you choose for this can vary—and may even seem outdated, like writing digital odes to Amsterdam women, with which I started my talk. These are heavy times. According to our former prime minister, now NATO Secretary-General, we must prepare for what may be a Third World War. Lately, I often think of Walter Benjamin, who in 1940, at the start of World War II, looked at a drawing by Paul Klee and saw in it “the angel of history,” sadly concluding that she is blown backward into the future with her back turned to it. Shortly afterward, he took his own life while fleeing the Nazis. In my new role as General Director of the Kunstmuseum in The Hague, I will welcome Mark Rutte and the NATO summit in June this year at the World Forum next to the museum. I hope to inspire all those world leaders, their entourages, and the thousands of journalists attending with the art of today. It may be naïve and idealistic, but we are preparing a major exhibition with 25 makers visualizing a better society under the title New New Babylon: Visions for Another Tomorrow (opening March 29—you are all invited). In the anthology The Future of the Dutch Colonial Past published last year, together with Imara Limon and Inez van der Schreer I compared today’s makers with “shape-shifters”. They do not stand with their backs to the future like Klee’s angel but are fluid beings who can change form and move effortlessly between different times. Their reinterpretations of the past offer a better future—one based more than ever on diversity and equality. Yet we cannot rely solely on these makers for the fundamental changes needed. We must powerfully open the institutions we operate for new perspectives from both inside and outside. We must work harder. Be courageous and show leadership. Keep an open mind and dare to become places that are mindful of their own histories, power structures, exclusion mechanisms, and financial flows. And in designing our spaces, provide context and create room for unheard perspectives. From my new role at the Kunstmuseum, I can say that we, like the UvA, still have many steps to take. But I am glad and grateful that the UvA today is such a brave place: with beautiful odes to fearless makers, kicked off by the incomparable Sites of Memory, who will make the history of this place heard and felt. If these walls could speak… Let us look backward and forward together—and feel. So that we change together, here in this place, joining hands and hearts. And thus honor, transform, and beautify the birthday city. Thank you all. P.S. And please, everyone, write an ode!
door margrietschavemaker 4 december 2024
4 Dec 2024 Directeur van het Kunstmuseum Den Haag Margriet Schavemaker kruipt in de huid van een van de grande dames van de Latijns-Amerikaanse schilderkunst: de 91-jarige Colombiaanse Beatriz González. In haar schilderijen in Museum De Pont in Tilburg focust ze op een enkel lichamelijk gebaar als uitdrukking voor menselijk begrip in tijden van guerillageweld, drugs en migratie. nu-te-zien_98
door margrietschavemaker 20 november 2024
Te gast bij Super Surprise op NPO 30 november 2024 De opening van het enige knutselmuseum van Nederland: De Super Surprise Eregalerij vindt plaats. De teams mogen het topstuk leveren. Welk team gaat er met die eer vandoor? Ik mocht de eregalerij openen..;)) https://npo.nl/start/video/super-surprise_31/meer-informatie
door margrietschavemaker 9 oktober 2024
9 Okt 2024 Directeur van Kunstmuseum Den Haag Margriet Schavemaker bezoekt Foam in Amsterdam, waar maar liefst 200 kunstwerken van Viviane Sassen te zien zijn. Met foto's en installaties uit de afgelopen dertig jaar is het een groot overzicht van de modefotograaf en kunstenaar Sassen. Intimiteit, menselijke emotie en haar onophoudelijke zoektocht naar nieuwe fotografische vormen zijn belangrijke ingrediënten in haar werk. https://npo.nl/start/afspelen/nu-te-zien_88
Meer artikelen